Ruig of Rommelig?
Groepsverschillen in de esthetische waardering van het landschap:
 de invloed van natuurhouding, natuurbeeld en persoonlijkheid

This research was published in revised form in Chapter 4 of Van den Berg (1999)
Nature images, environmental beliefs and group differences in perceived landscape beauty.
     Dissertatiereeks Kurt Lewin Instituut ; 1999-4

English Introduction
 


 

 Afstudeeronderzoek
 D.H. de Vries
 Studentnummer 0607681
 Nieuwe Ebbingestraat 54a
 9712 NM Groningen

 Afstudeerrichting Sociale Psychologie
 Begeleiding:
 drs A.E. van den Berg
 prof. dr C.A.J. Vlek

incompleet


  INHOUDSOPGAVE

Samenvatting

Inleiding
1.1 Doelstelling..........................................................................................................5
1.2 Psychologisch onderzoek naar de belevingswaarde...............................................6
1.3 Een tweedeling: ruige en verzorgde natuur.............................................................7
1.4 Persoonlijkheid en sociaal-culturele factoren.........................................................8
1.5 De grondhouding ten aanzien van de natuur...........................................................9
1.6 Natuurhouding en natuurbeeld...............................................................................9
1.7 De grondhouding als voorspeller..........................................................................11
1.8 Huidig onderzoek en vraagstelling........................................................................12

Methode
2.1 Respondenten......................................................................................................13
2.2 Stimuli.................................................................................................................13
2.3 Vragenlijst en procedure......................................................................................14
2.4 Hypothesen.........................................................................................................16

Resultaten
3.1 Indeling van de landschappen: Ruige versus Verzorgde natuur............................17
3.2 Beoordeling van de categorieën op de landschapskenmerken...............................19
3.3 Groepsverschillen in schoonheidsoordeel............................................................19
3.4 Groepsverschillen in overige landschapskenmerken.............................................20
3.5 Groepsverschillen in natuurhouding....................................................................21
3.6 Groepsverschillen in natuurbeeld: Natuur-mens relaties......................................22
3.7 Groepsverschillen in natuurbeeld: Prototypiciteit................................................24
3.8 Groepsverschillen op de vijf persoonlijkheidsfactoren.........................................26
3.9 Correlaties tussen de groepskenmerken..............................................................26
3.10 Toetsing van de groepskenmerken als mediërende variabelen...........................28

Discussie.................................................................................................................30

Literatuur................................................................................................................37

Figuren en Tabellen.................................................................................................41



SAMENVATTING

Doelstelling van dit onderzoek is een bijdrage leveren aan de kennis omtrent groepsverschillen in de belevingswaarde van het landschap. Onderzocht werd in hoeverre het schoonheidsoordeel varieert over twee verschillende dimensies, te weten ruigheid en verzorgdheid en in welke mate groepsverschillen op deze dimensies verklaard konden worden door de grondhouding ten aanzien van de natuur (natuurhouding en natuurbeeld) en persoonlijkheidsfactoren (extraversie en emotionele stabiliteit).Om dit te onderzoeken werden drie groepen geselecteerd: agrarische, psychologie en biologie studenten. Steun  werd gevonden voor een in eerder onderzoek (Van den Berg et al.,1996) gevonden suggestie dat er stabiele groepsverschillen zijn tussen agrariërs en niet-agrariërs in hun schoonheidsoordeel op deze dimensies: agrariërs gaven relatief het hoogste schoonheidsoordeel op de verzorgde dimensie, terwijl biologen relatief het hoogste schoonheidsoordeel gaven op de ruige dimensie. De verwachte samenhang in dit patroon met de mate waarin de groepen gemiddeld een ecocentrische natuurhouding (NEP) aanhingen (agrariërs het minst en biologen het meest), werd alleen gevonden voor ruige natuur. Na controle voor deze factor bleef het groepsverschil echter significant. Voor het vaststellen van het natuurbeeld werden twee exploratieve methodes gebruikt. Ten eerste een op systeemtheorie  gebaseerde methode waarbij gekozen moest worden tussen vier natuur-mens relaties (Stavenga, 1991). Ten tweede een op “family resemblance” (Rosch &  Mervis, 1975) gebaseerde methode waarbij aan voorbeelden van natuur een rapportcijfer toegekend moet worden naar de mate van protoypiciteit. De tweede methoden bleek een mooi model op te leveren dat een verklaring  kon bieden voor de gevonden groepsverschillen op de schoonheidsoordelen voor ruige natuur. Na controle voor de mate waarin de proefpersonen “natuur” als ruig en volgend aan menselijk gebruik zagen verschilden de groepen niet meer significant van elkaar in schoonheidsoordeel. Persoonlijkheid bleek, ten slotte, ondanks  samenhang met beide natuurtypen, geen verklaring te kunnen bieden voor de groepsverschillen. Op grond van deze resultaten worden suggesties gedaan om de meetmethodes voor zowel natuurhouding als natuurbeeld nader te onderzoeken. Verder wordt beargumenteerd dat in het Nederlandse natuurbeleid meer aandacht geschonken moet worden aan het belevingscriterium , waarbij het natuurbeeld als belangrijke factor in het verklaren en begrijpen van verschillen tussen de betrokkenen gezien moet worden.


  1. INLEIDING

1.1 Doelstelling
    Het gaat niet goed met de natuur in ons land: milieuverontreiniging, verstedelijking, wegenbouw, landbouw en de winning van delfstoffen zijn voorbeelden van steeds groter  wordende bedreigingen die de al schaars geworden natuur verder aantasten. Maar ook in terreinen die als natuurgebied zijn aangemerkt neemt de biodiversiteit af: kleine soorten die verdwijnen hebben op termijn grote gevolgen voor het ecosysteem als geheel. Met deze aantasting van de natuur verslechtert de kwaliteit van onze leefomgeving: bodem, water en lucht worden minder gezuiverd, de woonomgeving verarmd, de natuurbeleving verschraalt en ontspanningsmogelijkheden verminderen. Het leven in de stad vervreemd de mensen van de natuur, waardoor het respect vermindert en men zich niet langer verantwoordelijk voelt. Het Natuurbeleidsplan (Min. van LNV, 1990) heeft als hoofddoel een duurzame instandhouding, herstel en ontwikkeling van natuurlijke en landschappelijke waarden. Het NBP geeft vier criteria voor natuurlijke waarden: ecologische, aardkundige, cultuurhistorische en de belevingswaarde. Met behulp van deze criteria zal in de komende 25 jaar de zogenaamde Ecologische Hoofdstructuur (EHS) vorm gegeven worden, waarmee de verspreid geraakte natuurgebieden weer tot een aaneenslui-tend ecologisch netwerk zullen worden gemaakt. Om dit te realiseren zal ca. 150.000 ha. land- en tuinbouwgrond plaats moeten maken voor "nieuwe" natuur, bestaande uit boerennatuur (cultuurlandschap) en natuurontwikkeling (oernatuur zoals die in Nederland bestond voordat de mens tot cultivering van het landschap overging).

    In de praktijk blijkt natuurontwikkeling echter op een groeiend verzet te stuiten (zie bijv. “Gaasterland is mooi genoeg, dat willen we zo houden”, Volkskrant, 27 juni 1995). Dit verzet kan het gevolg zijn van een gebrek aan praktische kennis en theoretisch inzicht omtrent de precieze rol en betekenis van het "belevings-criterium" in het natuurbe-schermingsbeleid: verschillen in belevingswaarde van het landschap kunnen leiden tot verschillende invullingen van de "nieuwe" natuur. Waar mensen onlosmakelijk verbonden zijn met het landschap, is het daarom niet alleen voor de rechtvaardi-ging van het gevoerde beleid belangrijk rekening te houden met de belevingswaarde van de verschillende belanghebbenden, maar moet ook voor het creëren van een draagvlak een beter inzicht verkregen worden in mogelijke verschillen in belevings-waarde. Gremmen & Keulartz (1996) stellen in dit verband dat het huidige natuurbeleid zélf ook representant is van een cognitief-normatieve belevingswaarde, namelijk die van de (systeem)ecologische beleidsvisie. In de slotverklaring van het debat "Natuurontwikkeling: waarom en hoe" (juni 1996) komt de behoefte aan inzicht omtrent de belevingswaarde in het natuurbeleid duidelijk naar voren in het streven naar een breed draagvlak en een integrale aanpak. De van bovenaf door de overheid en natuurbeschermingsorganisaties opgelegde natuurontwikkelingsprojecten, zullen hiervoor meer rekening moeten gaan houden met de direct, lokaal, betrokkenen. Doelstelling van dit onderzoek is een omgevingspsychologische bijdrage te leveren aan het inzicht in de individuele- en groepsverschillen in de belevingswaarde van het landschap.
 

1.2 Psychologisch onderzoek naar de belevingswaarde

    In het onderzoek naar de belevingswaarde van het landschap kunnen in het algemeen vijf benaderingen onderscheiden worden: de ecologische, de formeel-esthetische, de psychofysische, de psychologische en de fenomenologische benaderingen (zie Daniel & Vining, 1983; Zube, Sell, Taylor 1982; Dijkstra 1991). Het psychologische onderzoek kan in twee onderzoekslijnen opgedeeld worden. In de eerste lijn staan de verschillen tussen de landschappen centraal (binnen-personen variatie). Meest bekend in deze context is de Preference Matrix van Kaplan & Kaplan (1987, 1989). Zij stellen dat esthetische waardering samenhangt met een evolutionair bepaalde behoefte om het landschap te begrijpen en te verkennen. De kenmerken complexiteit, mysterie, leesbaarheid en samenhang spelen volgens hen hierbij een centrale rol. Individuele verschillen worden in dit model vooral veroorzaakt door een verschil in vertrouwdheid, waardoor de behoefte om het landschap te begrijpen of te verkennen varieert. In de tweede onderzoeks-lijn staan de verschillen tussen de beoordelaars centraal (tussen-personen variatie). Dit meer idiosyncratische, fenomenologische perspectief legt de nadruk op de subjectieve gevoelens, houdingen en verwachtingen van mensen. Het gaat om de individuele gedachten, emoties en associaties die voortkomen uit een intensieven interactie met het landschap (Zube, 1987). Ieder persoon beleeft het landschap daarom anders, door een unieke set van persoonlijke ervaringen.

    Om te komen tot een integrale aanpak hebben natuurbeleidsmakers behoefte aan praktische kennis over de verschillen in de landschappelijke beleving en esthetische waardering van het landschap tussen belanghebbenden. Dit maakt het mogelijk om vele uiteenlopende gezichtspunten te betrekken bij het beleid over natuur. Beide onderzoekslijnen schieten echter tekort op dit punt. In de binnen-personen benadering worden individuele- en groepsverschillen bij voorbaat al niet zo belangrijk gevonden, omdat de verschillende landschapskenmerken centraal staan: de mens reageert hier op het landschap. In de tussen-personen benadering staat de uniciteit van het individu centraal, waardoor het aangeven van algemene trends bemoeilijkt wordt. Met name verschillen tussen landschappen worden hier onderbelicht. Behoefte is dus aan onderzoek waarmee inzicht verkregen wordt in eventuele groepsverschillen met betrekking tot verschillende landschapskenmerken. De versnipperde theorievorming in het onderzoek naar individuele- en groepsverschillen houdt deze integratie vooralsnog tegen, zoals is gesignaleerd door verscheidene auteurs (Lyons, 1983; Zube, 1987; Coeterier, 1987, Van den Berg, Coeterier en Vlek, 1996).
 

1.3 Een tweedeling: Ruige en verzorgde natuur

    Recentelijk is door Van den Berg et al. (1996) onderzoek gedaan naar de esthetische waardering van agrariërs, fietsers en bewoners voor vijf verschillende natuurontwikkelingsplannen. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat agrariërs een relatief hogere waardering hadden voor de meer verzorgde natuurontwikkelingsplannen, terwijl de niet-agrariërs en gemiddeld hoger opgeleide overige twee groepen een relatief hogere waardering hadden voor met name ruige natuur. Een dergelijk patroon, waarbij individuen verschillen in hun voorkeur voor verzorgdheid en ruigheid, is door meerdere onderzoekers gevonden, zowel binnen de esthetische waardering van kunstwerken (Eysenck, 1940, 1941) als in onderzoek naar landschapswaardering (Bernáldez & Parra, 1979; Maciá, 1979b; Abello & Bernáldez, 1986). Dit patroon lijkt nauw gerelateerd aan een in het belevingsonderzoek veel gemaakt onderscheid tussen de natuurlijke en de bebouwde omgeving (Wohlwill, 1983; Hartig & Evans, 1993). Uit deze onderzoeken blijkt dat de mate waarin een landschap beïnvloed is door mensen een centrale rol speelt  in de waarneming en waardering van landschappen. Ook tijdens het slotdebat van het al eerder genoemde Forum over natuurontwikkeling ("Natuurontwikkeling: waarom en hoe?", 1996) was dit thema sprekend terug te vinden in de tegenstelling tussen voorstanders van menselijk beïnvloede, culturele landschappen en voorstanders van ruige natuurontwikkelingslandschappen.

    Uit de conclusies in het onderzoek van Van den Berg et al. (1996) kan echter niet zonder meer gegeneraliseerd worden dat er stabiele verschillen zijn tussen agrariërs en andere groepen in de esthetische waardering van het landschap. Reden hiervoor is dat in dit onderzoek de weerstand tegen verandering gemeten werd. De te beoordelen landschappen werden hierom als veranderingen in een bestaand en bekend agrarisch uitgangslandschap gepresenteerd. Als gevolg hiervan kunnen twee alternatieve oorzaken de gevonden resultaten verklaren. In de eerste plaats kan de vertrouwdheid die de agrariërs hadden met het uitgangslandschap een positievere evaluatie van status quo veroorzaakt hebben. In de tweede plaats kan het directe economische belang dat agrariërs beroepsmatig hebben met landbouwgronden hierin een rol gespeeld hebben. Natuurontwikkelingsplannen, die hun bron van inkomsten omzetten in onbruikbare woestheid, zouden daarom minder gewaardeerd kunnen worden. Naast deze alternatieve verklaringen werd in het onderzoek slechts een klein aantal landschappen getoond.
 

1.4 Persoonlijkheid en sociaal-culturele factoren

    In de literatuur kunnen diverse mogelijke verklaringen gevonden worden voor verschillen in waardering tussen ruige en verzorgde natuur. Een eerste verklaring is de veel onderzochte persoonlijkheidsfactor extraversie (Cattell, 1979; Eysenck, 1981) (ook wel sensation seeking genoemd, zie Zuckermann, 1979). Eysenck (1981) stelt dat extraverte personen een grotere behoefte aan externe stimulatie vertonen, doordat zij een lager chronisch (neo)corticaal arousal niveau hebben. Dit zou zich kunnen uiten in een voorkeur voor ruige, onvoorspelbare natuur. Een tweede mogelijkheid is de persoonlijkheidsfactor  emotionele stabiliteit. Diverse onderzoeken hebben aangetoond dat individuen met een hoge score op emotionele stabiliteit landschappen prefereren die een zekere ondoorzichtigheid hebben, terwijl individuen met een lage score op emotionele stabiliteit de  voorkeur geven aan "structurele ritmes en terugkerende patronen" (Maciá, 1979b; Abello & Bernaldez, 1986). Een derde meer sociaal-culturele verklaring is de al eerder aangehaalde rol van vertrouwdheid of ervaring (Zube, 1974; Lyons, 1983; Dearden 1984; Coeterier, 1987; Kaplan & Kaplan, 1989). Zube (1974) vond in dit verband dat blootstelling als kind aan bepaalde landschappen, beroep en woonplaats de meest consistente voorspellers voor landschapsvoorkeur waren. Dearden (1984) vond dat naarmate mensen langer in "wilde" natuur gewoond hadden of vaker in deze natuur recreëerden, zij een grotere voorkeur voor niet door mensen beïnvloedde natuur hadden. Mensen met weinig ervaring met ruige natuur hadden een grotere voorkeur voor meer door mensen beïnvloedde en bebouwde landschappen. Twee laatste mogelijke verklaringen kunnen liggen in specifieke expertise, bijv.op het gebied van landschappen (Buhyoff, Wellman, Harvey & Fraser 1977; Dearden, 1984) en etniciteit (Kaplan & Kaplan, 1989).
 

1.5 De grondhouding ten aanzien van de natuur

    Een mogelijk onderliggende centrale factor, die een weerspiegeling zou kunnen zijn van al deze factoren, is de grondhouding die iemand heeft ten aanzien van de natuur. Volgens Achterberg (1994) is een grondhouding een dispositie (tendens, neiging) van een individu om de natuur op een bepaalde manier te ervaren en te waarderen en met de natuur op een bepaalde manier om te gaan. In de sociale-psychologie staat een dergelijke cognitieve oriëntatie bekend als een "attitude". Een duidelijke consensus omtrent de definitie van dit begrip is echter niet voorhanden (O'Keefe, 1992; Van der Pligt en De Vries, 1991). Gemeenschappelijk aan de meeste definities is de idee dat een attitude gezien kan worden als een evaluatieve beoordeling of reactie op een object, persoon, instantie of gebeurtenis (O'Keefe, 1992; Eiser, 1994). Attitudes hebben een selectieve invloed op de menselijke informatieverwerking (waarneming, opslag, herinnering en betekenisverlening) en zijn van invloed op ons gedrag. Attitudes zijn bovendien sociaal-cultureel bepaald doordat ze worden aangeleerd aan de hand van ervaringen die worden opgedaan (Van der Pligt & De Vries, 1991; O'Keefe, 1992; Eiser, 1994). Attitude-schemata die handelen over de relatie natuur-mens worden dus gevormd door de (in)directe ervaringen die iemand heeft gehad met de natuur. Sociaal-culturele én persoonlijkheidskenmerken, zoals emotionele stabiliteit, vertrouwdheid met bepaalde landschappen en interesses (in bijvoorbeeld het milieu) bepalen en beperken deze ervaringen. Iemands grondhouding zou dus gezien kunnen worden als een reflectie of weerspiegeling van onze ervaringen met de natuur.
 

1.6 Natuurhouding en Natuurbeeld

    Volgens Achterberg (1994) manifesteert de grondhouding ten aanzien van de natuur zich in een natuurbeeld en een natuurhouding . Een natuurbeeld kan gezien worden als een opvatting over de aard van de natuur (haar samenstelling en opbouw), over de plaats van de natuur in de hele werkelijkheid, maar vooral in relatie tot de mens, en over de betekenis en waarde van de natuur. In het door de Natuurbeschermingsraad opgestelde rapport "Natuur tussen de oren" (1993) worden natuurbeelden omschreven als "(onbewust) gevormde mentale constructies die behoren tot de collectieve voorstellingen". Een natuurbeeld is in deze zin een sociaal en historisch bepaald construct (zie bijv. Harbers & Van der Windt, 1995), dat gevormd wordt door de betekenis en functie die iemand, vanuit zijn sociaal-culturele inbedding, aan de natuur toekent. Om het natuurbeeld te meten zal in de eerste plaats gebruik gemaakt worden van een door de natuurbeschermingsraad gemaakte indeling van elf in de praktijk voorkomende natuurbeelden. Van elk van deze natuurbeelden zal een aantal voorbeelden gegeven worden, waarvan de proefpersonen de prototypiciteit (Rosch & Mervis, 1975) voor de categorie “natuur” vast moeten stellen. In de tweede plaats zal een systeemtheoretische indeling van vier mogelijke natuur-mens relaties gebruikt worden (Stavenga, 1991). Deze theorie verondersteld het bestaan van vier mogelijke kwalitatief verschillende relaties tussen twee systemen (subject en object): één van beide systemen is volledig door de ander ontsloten (R3), of er is een gedeeltelijke overlapping (R2), of ze zijn vast verbonden (R1), of het zijn twee volledig gescheiden systemen (R0). Natuurbeelden kunnen goed ingedeeld en beschreven worden binnen deze vier structuren.

    Een natuurhouding kan gezien worden als een ethisch-normatieve opvatting over hoe men moreel gezien met de natuur moet omgaan. Om dit te meten zal een attitude-schaal gebruikt worden waar sinds eind jaren zeventig veel mee gewerkt wordt: de New Environmental Paradigm Scale (Dunlap & Van Liere, 1978, Dunlap 1980). Deze schaal onderscheidt globaal een attitudedimensie die loopt van een antropocentrische, mensgerichte natuurhouding ("beheersethiek") naar een bio- of ecocentrische, natuurgerichte natuurhouding ("bio- of ecocentrische ethiek"). Onder een antropocentrische natuurhouding wordt een orthodoxe natuuropvatting verstaan, waarin de mens gezien wordt als losstaand van en verheven boven de natuur. Typisch is een accent op materiële behoefte, economische groei, technologisch optimisme en een korte-termijn perspectief (Vermeersch, 1988). Deze opvatting heeft sinds de zestiende en  zeventiende eeuw (Soontiens, 1993) een dominerende invloed gehad op het westerse denken en wordt ook wel het "Human Exemptionalist Paradigm" genoemd (HEP) (Dunlap & Van Liere 1978; Dunlap, 1980). De oorsprong van deze natuurbeheersingsideologie ligt volgens een aantal auteurs in de verwetenschappelijking van het wereldbeeld en de daaruit voortvloeiende objectivering van de natuur (White, 1967; Vermeersch, 1988; Opschoor, 1989; Soontiëns, 1993). Met de biocentrische en ecocentrische natuurhoudingen wordt de natuur vooropgesteld. Alle levende organismen wordt een intrinsieke waarde toegekend, dat wil zeggen een waarde die waardevol is "om zichzelf". De mens is hierbij in waarde onder- noch boven geschikt aan natuurlijke individuele organismen (biocentrisme) of organismen en hun ecosystemen (ecocentrisme). Kenmerkend voor deze houdingen is het besef deel te hebben aan het grotere geheel van de natuur. Dit berust op een bewustzijn van verbondenheid met het geheel, van wat je gemeenschappelijk hebt, in meerdere of mindere mate, met grotere of kleinere delen van de natuur (Achterberg, 1994). De laatste decennia hebben deze houdingen een steeds grotere steun kunnen vinden, en worden daarom ook wel aangeduid als de "New Environmental (ecological) Paradigm" (NEP) (Dunlap & Van Liere 1978; Dunlap, 1980).
 

1.7 Grondhouding als voorspeller

    De twee natuurhoudingen, antropocentrisme en bio/ecocentrisme, kunnen tegenover elkaar gezet worden door te kijken naar de mate waarin individuen de mens respectievelijk de natuur voorop stellen. Op deze manier valt het op dat er een analogie te trekken is met een eventuele voorkeurstijl voor ruige of verzorgde natuur, zoals gevonden door Van den Berg et al. (1996). Aangezien natuurhouding en natuurbeeld nauw met elkaar verbonden zijn, kan aangenomen worden dat deze analogie ook voor het natuurbeeld zou moeten opgaan. In de systeemtheoretische beschrijving van het natuurbeeld kan de gelijkenis in ieder geval wel teruggevonden worden, doordat de R0 relatie de mens als “los van de natuur” stelt en de R3 relatie de mens als “deelsysteem van de natuur” ziet. Menselijke invloed op het landschap kan vanuit deze twee natuurbeelden anders opgevat worden, als meer of minder ingrijpend.

    Naar het mogelijke verband tussen de grondhouding ten aanzien van de natuur en de esthetische waardering is weinig onderzoek gedaan. Dearden (1984) vond dat leden van een milieuorganisatie (The Sierra Club) een relatief grotere voorkeur hadden voor ruige, onbeheersbare landschappen dan planologen en een controlegroep. Kaplan & Herbert (1987) vonden dat leden van een botanische organisatie een grotere afkeer hadden van door mensen beïnvloedde natuur. Enkele andere onderzoekers (Craik, 1975; Zube, Pitt & Anderson, 1975) vonden soortgelijke resultaten. Meest interessant is echter een recentelijk uitgevoerde studie van Strumse (1996), waaruit bleek dat een hoog milieubesef correleerde met een voorkeur voor landschappen waarin de mens in harmonie met de natuur staat (traditioneel agrarische landschappen), terwijl een negatieve samenhang werd gevonden met landschappen waarbij de mens een dominerende invloed heeft op de natuur (modern agrarische landschappen). Deze studie beperkte zich echter tot de invloed van de natuurhouding, zoals gemeten door de NEP en op de waardering van twee vormen van boerennatuur (moderne en traditionele boerennatuur).
 

1.8 Huidig onderzoek en vraagstelling

    Een eerste vraagstelling in dit onderzoek is in hoeverre groepsverschillen in esthetische waardering voor ruige of verzorgd landschappen, zoals gevonden in het onderzoek van Van den Berg et al. (1996), ook te vinden zijn in een niet-veranderingscontext. Een tweede vraagstelling is om te onderzoeken in hoeverre extraversie, emotionele stabiliteit en de grondhouding ten aanzien van de natuur van invloed zijn op het schoonheidsoordeel over ruige en verzorgde landschappen, en in hoeverre de groepsverschillen verklaard kunnen worden door middel van deze groepskenmerken.

    Om deze vragen te beantwoorden richt de huidige studie zich speciaal op de esthetische waardering van twee vormen van in Nederland te ontwikkelen natuurgebied, namelijk natuurontwikkeling (spontane natuur) en reservaatsgebied (traditionele boerennatuur). Beide vormen van natuur hebben een karakteristieke vegetatie- en landschapsstructuur, waarbij de mate waarin de mens van invloed is geweest op het landschap als centraal verschil gezien kan worden.  Voor deze twee typen natuur zullen de verschillen in esthetische waardering tussen drie groepen onderzocht worden, te weten agrarische studenten, psychologie studenten en biologie studenten. Deze groepen zijn gekozen om drie redenen. Ten eerste wordt verwacht, op grond van de resultaten van Van den Berg et al. (1996) en de huidige discussie omtrent het natuurbeleid, dat de groepen ieder een eigen positie innemen ten aanzien van hun voorkeur voor ruigheid dan wel verzorgdheid. Ten tweede worden de drie groepen verondersteld te verschillen in onderliggende grondhouding ten aanzien van de natuur.

    Uit onderzoek is gebleken dat een ecocentrische natuurhouding, zoals gemeten door de NEP, vooral voorkomt onder mensen met kennis van het milieu (Arcury, 1990), met een liberaal-politieke overtuiging (Van Liere & Dunlap, 1980; Scott & Willits, 1994), in geürbaniseerde leefomgevingen (Arcury & Christianson, 1990) en met een hoog inkomen en opleiding (Van Liere & Dunlap, 1980; Arcury & Christianson, 1990). Verwacht kan dus worden dat de niet geürbaniseerde, lager opgeleide en over het algemeen als minder liberaal  geziene groep agrarische studenten in opvatting zal verschillen van de meer geürbaniseerde, liberale en hoger opgeleide  groepen psychologie en biologie studenten. Voor biologie studenten wordt bovendien verwacht dat deze door een grotere kennis over het milieu in vergelijking met de andere twee groepen een nog meer ecocentrische natuurhouding hebben. Ten derde is vanwege de bereikbaarheid gekozen om studenten te onderzoeken.


 2. METHODE
 

2.1 Respondenten

Aan het onderzoek deden 57 respondenten mee, verdeeld over drie groepen: studenten van het middelbare agrarische beroepsonderwijs (n=20), eerstejaars studenten psychologie (n=20) en eerstejaars studenten biologie (n=14). De gemiddelde leeftijd was 19 jaar (sd=1.18) en varieerde van 18 t/m 22 jaar. Alle respondenten zijn persoonlijk benaderd om mee te doen met het onderzoek. De agrarische studenten waren afkomstig uit de gehele provincie. Alle andere studenten woonden hoofdzakelijk in en rondom Groningen. Van agrariërs was 15 procent lid van een natuur- en of milieuorganisatie. Voor de psychologie studenten was dit 30 procent en voor de biologie studenten 36 procent
 

2.2 Stimuli

 In het onderzoek zijn 42 dia's gebruikt, afkomstig van het Natuur- en Milieucentrum in Groningen en het IKC-Natuurbeheer in Wageningen. Bij de selectie van de dia's is er voor gezorgd dat deze vergelijkbaar waren qua kwaliteit en perspectief. De dia's zijn van tevoren door de onderzoekers ingedeeld in twee categorieën: ruige en verzorgde natuur. In totaal zijn 20 ruige dia's, 20 verzorgde dia's en twee opvul dia's (om begin en eind effecten te voorkomen) gebruikt in het onderzoek.
 

2.3 Vragenlijst & procedure

De vragenlijst werd afgenomen met behulp van draagbare computers (Apple Macin-tosh Power-book). De vragenlijst bestond uit drie verschillende onderdelen, exclusief een instructie over de werking van de computer. Het eerste onderdeel bestond uit de beoordeling van de 42 dia's. De volgorde van de dia's is van tevoren op a-selecte wijze bepaald en gedurende het onderzoek constant gebleven. De eerste en laatste dia's  zijn niet meegenomen in de analyse om begin en eindeffecten te voorkomen. Over alle dia's is van alle proefpersonen een oordeel op negen landschapskenmerken gevraagd. Dit waren (zie Tabel 1, tussen haakjes staat de volgorde van afname): schoonheid (1), biodiversiteit (2), ruigheid (6), verzorgdheid (3), oudheid (5), samenhang (4),  complexiteit (7), leesbaarheid (8) en mysterie (9) . De respondenten moesten hun score voor al deze landschapskenmerken aangeven op een negenpunts-schaal. De gemiddelde duur van dit deel was ongeveer een uur.
 ---------------------------
    Voeg hier Tabel 1 in
 ---------------------------
Het tweede deel van het onderzoek bestond uit een persoonlijkheidsvragenlijst (Five Factor Personality Inventory, Hendriks, Hofstee en De Raad, 1995), waarmee een inventarisatie van de vijf persoonlijkheidsfactoren gemeten werd. In Tabel 2 staan de vijf factoren met voorbeelden ter interpretatie van een positieve of negatieve score weergegeven. Deze vragenlijst bestaat uit 100 items, te beoordelen op een vijfpuntsschaal. De afname van dit deel duurde gemid-deld vijftien minuten.
 ---------------------------
    Voeg hier Tabel 2 in
 ---------------------------
 Het derde deel van de vragenlijst bestond uit algemene vragen ten aanzien van natuur en milieu. In dit deel werd op drie verschillende manieren iemands natuurhouding gemeten. Om de natuurhouding te meten werd een Nederlandse vertaling van de NEP-schaal afgenomen. De betrouwbaarheid van deze vertaling is in een pilot-studie vastgesteld (Cronbach's Ó=.75). De NEP-schaal bestaat uit een combinatie van drie subschalen met ieder vier items, te weten "Balans van de natuur", "Grenzen aan de groei" en "Mensen boven de natuur". In Tabel 3 staan de items per subschaal vermeld.
 ---------------------------
    Voeg hier Tabel 3 in
 ---------------------------
Tezamen meten deze drie subschalen de mate waarin de ecocentrische natuurhouding aangehangen wordt (Dunlap & Van Liere, 1978). Het natuurbeeld werd gemeten op twee verschillende manieren. Ten eerste is, gebaseerd op de systeemtheorie van Stavenga (1991), de proefpersonen vier relaties figuurlijk voorgelegd die natuur en de mens met elkaar kunnen hebben (zie Figuur 1). De proefpersonen werd gevraagd de figuur te
 ---------------------------
    Voeg hier Figuur 1 in
 ---------------------------
kiezen die volgens hen het beste de relatie mens/natuur weergaf. Ten tweede is op grond van de door de Natuurbeschermingsraad (1993) geopperde indeling van verschillende natuurbeelden, van elk natuurbeeld drie voorbeelden gekozen, die in random volgorde aan de proefpersonen zijn voorgelegd (zie Tabel 4). Analoog aan de methode van Rosch & Mervis (1975) is bij elk voorbeeld aan de proefpersonen gevraagd aan te geven in hoeverre het voorbeeld prototypisch is voor dat wat zij onder "natuur" verstaan.
 ---------------------------
    Voeg hier Tabel 4 in
 ---------------------------
Het onderzoek is afgenomen op drie verschillende lokaties, te weten het AOC-Noord (agrarische studenten), en twee lokaties in het Heijmans Instituut (Psychologie en Biologie studenten). De totale afname duurde gemiddeld 1,5 uur, waarvoor alle respondenten een vergoeding van f15,- kregen. Tijdens de introductie van het onderzoek kregen respondenten geen specifieke informatie over de het doel van het onderzoek.
 

2.4 Hypothesen

Op grond van de indeling van de proefpersonen in drie verschillende groepen kunnen de volgende hypothesen opgesteld worden:

Hypothese 1:
a) Agrarische studenten geven gemiddeld het laagste schoonheidsoordeel aan ruige landschappen, gevolgd door psychologen en daarna biologen.
b) Agrarische studenten geven gemiddeld het hoogste schoonheidsoordeel aan verzorgde landschappen, gevolgd door psychologen en biologen.
 

Hypothese 2:
De drie groepen verschillen in hun grondhouding ten aanzien van de natuur, waarbij:
a) Biologie studenten de meest ecocentrische natuurhouding hebben, gevolgd door de psychologie en daarna de agrarische studenten.
b) Agrarische studenten een natuurbeeld hebben dat het dichtst bij de R0 relatie (gescheiden systemen) ligt en de biologie studenten een natuurbeeld dat het dichtst bij de R3 relatie (volledige ontsluiting).
c) Agrariërs kennen het hoogste prototypische rapportcijfer toe aan door mensen beïnvloede voorbeelden van de natuur (volgende natuur), gevolgd door de psychologen en daarna de biologen. Biologen kennen het hoogste prototypische rapportcijfer toe aan niet door mensen beïnvloede voorbeelden van natuur (wilde natuur), gevolgd door psychologen en daarna agrariërs.

Hypothese 3:
Er is een significante samenhang te vinden tussen het schoonheidsoordeel over ruige  dan wel verzorgde natuur en de natuurhouding, het natuurbeeld en de verschillende persoonlijkheidskenmerken:
 a) Naarmate de natuurhouding ecocentrischer is is het schoonheidsoordeel over ruige natuur positiever en naarmate de natuurhouding minder ecocentrisch is is het schoonheidsoordeel over verzorgde natuur positiever.
b) Naarmate het natuurbeeld dichter bij de R3 relatie ligt of een hogere prototypiciteit toegekend krijgt aan ruige natuur is het schoonheidsoordeel over ruige natuur positiever en naarmate het natuurbeeld dichter bij de R0 relatie ligt of een hogere prototypiciteit toegekend krijgt aan verzorgde natuur is het schoonheidsoordeel over verzorgde natuur positiever.
c) Naarmate iemand extraverter en/of emotioneel stabieler is is het schoonheidsoordeel over ruige natuur positiever. Naarmate iemand introverter en/of emotioneel instabieler is is het schoonheidsoordeel over verzorgde natuur positiever.

Hypothese 4:
De natuurhouding, het natuurbeeld en de verschillende persoonlijkheidskenmerken treden als mediërende variabelen op in de verschillen in schoonheidsoordelen over de groepen.



 3. RESULTATEN
 

3.1. Indeling van de landschappen: Ruige versus Verzorgde natuur

Hypothese 1a en 1b stellen dat het schoonheidsoordeel gemeten kan worden op twee dimensies, te weten ruigheid en verzorgdheid. Een a-priori indeling van de landschappen is verkregen door onafhanke-lijke beoordelaars (n=12) de landschappen te laten indelen op deze dimensies. Ter toetsing van hypothese 1 moet nagegaan worden in hoeverre deze indeling empi-risch steun vind in de schoon-heidsoor-delen van de proefpersonen. Hiervoor is een hoofdcompo-nenten analyse(PCA) uitge-voerd met twee factoren als criterium. Na Varimax-rotatie werden twee factoren gevon-den als beste samen-vat-ters van de schoonheidsoordelen van de respon-denten, die tezamen 34.9 % van de totale variantie verklaar-den. Hiervan verklaren de eerste factor 20.0 %, met een eigen-waar-de van 8.42, en de tweede factor 14.8 %, met een eigen-waarde van 6.22. In Tabel 5 staan zowel de a-priori indeling als de factor-indeling weergegeven (factorladingen groter dan 0.40 zijn onderstreept).
 ---------------------------
    Voeg hier Tabel 5 in
 ---------------------------
 Uit een vergelijking van de a-priori indeling van de landschappen met de factor-indeling van de schoon-heidsoorde-len (ladingen hoger dan .40) kan opge-maakt worden dat de twee categorisaties een vrijwel identieke indeling van de landschappen laten zien. Op het eerste gezicht kan dus gesteld worden dat de eerste factor "Ruige natuur" weergeeft en de tweede factor "Verzorgde natuur". Bovendien kan geconcludeerd worden dat het hier gaat om twee afzonderlijke dimensies, in plaats van één dimensie met twee tegengestelde polen. Opval-lend is verder dat de drie parkachtige landschappen (nr. 12, 25 en 39) op geen van beide factoren hoog laden. Dit in tegenstelling tot de a-priori inde-ling, waar deze landschap-pen onder de "verzorgde" landschappen vielen. Blijkbaar moet de interpreta-tie van Factor 2 nauwer genomen worden dan "Verzorgde natuur" en kan deze factor alleen als representatief voor traditionele boerennatuur-- gezien worden .
 Verder analyse van de vergelijking laat zien dat er nog een aantal landschappen niet goed in de voorgestelde indeling categoriseerbaar zijn. Landschappen nummer 16 (bos met brug) en 26 (riet met bloemen) laden hoog op beide factoren. Om de onaf-hankelijkheid van de factoren te behouden moeten deze landschappen daarom verwijderd worden (zie Overview of preference research methodology, Kaplan & Kaplan, 1989). Land-schap 10 (zeearmenland-schap) en 21 laden laag op beide factoren. Landschap 10 kan als uniek gezien worden door de dominante aanwezig-heid van water. Landschap 21 lijkt enigszins opmerkelijk aangezien het zowel te laag als in de verkeerde richting (in vergelijking met de a-priori indeling) laad. Hiervoor is geen duidelijke verklaring te vinden. Beiden landschappen worden niet meegenomen in verdere analyses. Tenslotte laad landschap 36 (man op weg), in tegenstelling tot de a-priori indeling op de verzorgde dimensie, hoog op de ruigheid factor. Mogelij-ker-wijs is het desolate, kille karakter van de foto ervoor verantwoor-delijk dat dit landschap in schoon-heidsoordeel op deze dimensie valt. In de lijn van het onderzoek is dit echter niet relevant en wordt ook dit landschap verder niet meegeno-men. Samenvattend kunnen 19 landschappen (2, 3, 5, 6, 9, 13, 14, 17, 19, 22, 23, 29, 30, 31, 34, 37, 38 en 40) tot de categorie "Ruige natuur" gerekend worden (zie Figuur 2 voor twee typische voorbeelden) en 14 landschappen (4, 7, 8, 11, 15, -18, 2-0, 24-, 27-, 28, -32, 33, 35- en 41) tot de categorie "Verzorgde natuur" (zie Figuur 3 voor twee typische voorbeelden). Concluderend kan gesteld worden dat de landschappen ingedeeld konden worden op twee dimensies ruigheid en verzorgdheid, aangezien op slechts enkele uitzonderingen na het merendeel van de landschappen ingedeeld kon worden op één van deze beide dimensies.
 -------------------------------------
    Voeg hier Figuren 2a/b en 3a/b in
 -------------------------------------
3.2 Beoordeling van de categorieën op de landschapskenmerken
Door optelling en middeling van de landschappen in elke categorie, kan de gemiddelde score van de landschapskenmerken op ruige en op verzorgde natuur berekend worden. Tabel 6 geeft een overzicht van deze scores.
 ---------------------------
    Voeg hier Tabel 6 in
 ---------------------------
Om te zien of er verschillen waren tussen de twee categorieën is een t-test over de gehele groep proefpersonen (n=54) voor alle landschapskenmerken worden uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de categorisatie ruige versus verzorgde extra steun vindt in het feit dat ruige natuur significant ruiger en minder verzorgd werd gevonden dan verzorgde natuur. Verder vond men ruige natuur significant mooier, biodiverser, ouder, samenhangender, complexer en mysterieuzer dan verzorgde natuur. Daarentegen vond men de verzorgde natuur leesbaarder. Voor het kenmerk samenhang werd een marginaal significant verschil gevonden.
 

3.3 Groepsverschillen in schoonheidsoordeel.

In de eerste hypothese wordt gesteld dat agrarische studenten gemiddeld het laagste schoonheidsoordeel aan ruige landschappen geven, gevolgd door psychologen en daarna biologen. Omgekeerd geven agrarische studenten gemiddeld het hoogste schoonheidsoordeel aan verzorgde landschappen, gevolgd door psychologen en biologen. Om te kijken of de groepen inderdaad verschillen is het verschil in schoonheidsoordeel op ruige en verzorgde natuur over de groepen getoetst door middel van een variantie-analyse (ANOVA) met het schoonheidsoordeel als afhankelijke variabele en de groepen als onafhankelijke variabelen. De gemiddelde schoonheidsoordelen staan vermeld in Tabel 7.
 ---------------------------
    Voeg hier Tabel 7 in
 ---------------------------
De agrarische groep blijkt een marginaal significant lager schoonheidsoordeel (M=5.94) aan ruige natuur te geven in vergelijking met de psychologen (M=6.60), F(1,38)=3.67;p<.10) en een significant lager schoonheidoordeel aan ruige natuur in vergelijking met de biologen (M=7.35), F(1,32)=11.38,p<.05). Ook de groep psychologen geeft een significant lager schoonheidsoordeel aan ruige natuur dan de biologen F(1,32)=7.24;p<.05). Voor verzorgde natuur geldt het omgekeerde. De agrarische groep heeft hier een significant hoger schoonheidsoordeel (M=6.47) in vergelijking met zowel de psychologen (M=5.33), F(1,38)=7.12;p<.05) als de biologen, (M=4.06), F(1,32)=15.95;p<.001). Op grond van deze resultaten kan geconcludeerd worden dat hypothese één bijna geheel bevestigd kan worden. Agrariërs geven een lager schoonheidsoordeel aan ruige natuur in vergelijking met zowel psychologen als biologen. Psychologen geven ook een lager schoonheidoordeel in vergelijking met biologen (Hypothese 1a). Voor verzorgde natuur geldt dit verschil tussen psychologen en biologen niet. Alleen agrariërs geven hier een hoger schoonheidsoordeel dan psychologen en biologen (hypothese 1b).
De verschillen tussen ruige en verzorgde natuur binnen de groepen is ook getoetst door middel van een t-test. Psychologen en biologen blijken een significant hoger schoonheidsoordeel aan ruige natuur (M=6.60 resp M=7.35) te geven in vergelijking met verzorgde natuur (M=5.53 resp. M=5.22), t(19)=3.70;p<.05 resp. t(13)=9.17;p<.001. Voor agrariërs was dit verschil (M=5.94 resp. M=6.47) niet significant , t(19)=1.57;p=.13.
 

3.4 Groepsverschillen in overige landschapskenmerken

De perceptuele verschillen in de overige landschapskenmerken over de groepen is onderzocht door middel van variantie-analyses (ANOVA). Hiervoor zijn de betreffende landschapskenmerken als afhankelijke variabelen opgenomen en per type natuur de groep als onafhankelijke variabelen. Tabel 8 en 9 geven een overzicht van deze scores op ruige respectievelijk verzorgde natuur.
 -----------------------------------
     Voeg hier Tabellen 8 en 9 in
 -----------------------------------
Uit Tabel 8 en 9 blijkt dat het oordeel van de groepen voor de meeste landschapskenmerken gelijk loopt met de relatieve voorkeur voor ruige danwel verzorgde natuur (zie Tabel 7). Dit blijkt niet symmetrisch te zijn voor de twee soorten natuur. Zo blijkt dat agrariërs het aantal aanwezige plant- en diersoorten in verzorgde natuur hoger inschatten dan psychologen en biologen. Dit geldt ook voor psychologen in vergelijking met biologen. Voor ruige natuur geldt het omgekeerde echter niet en worden geen verschillen gevonden tussen de drie groepen. Op dezelfde manier vinden de groepen ruige natuur ook even verzorgd en even ruig, terwijl er voor verzorgde natuur wel verschillen tussen de groepen zijn. Zo vinden biologen verzorgde natuur verzorgder dan agrariërs en psychologen (trendmatig) en ook minder ruig dan deze twee groepen. Ook psychologen vinden verzorgde natuur minder ruig in vergelijking met agrariërs. Met betrekking tot de samenhang wordt wel een trendmatig symmetrisch verschil gevonden in dat agrariërs verzorgde natuur samenhangender vinden dan biologen, terwijl biologen op hun beurt ruige natuur samenhangender vinden dan psychologen en agrariërs. Agrariërs vinden dat er in verzorgde natuur weer meer te zien is (complexiteit) in vergelijking met psychologen en biologen, al is dit verschil marginaal. Het omgekeerde geldt weer niet voor ruige natuur. Qua leesbaarheid vinden psychologen het (trendmatig) moeilijker om zich te oriënteren in ruige natuur in vergelijking met biologen en agrariërs. Met betrekking tot mysterie vinden agrariërs en biologen verzorgde natuur even interessant om nader te verkennen. Psychologen vinden boerennatuuur minder interessant om nader te verkennen, maar alleen in vergelijking met agrariërs. Voor ruige natuur hebben biologen meer interesse dan de overige twee groepen. Ten slotte wordt de oudheid van de landschappen door agrariërs zowel voor ruige als verzorgde natuur ouder ingeschat in vergelijking met de biologen.
 

3.5 Groepsverschillen in natuurhouding

Hypothese 2a stelt dat de drie groepen verschillen in hun natuurhouding, waarbij biologie studenten de meest ecocentrische natuurhouding hebben, gevolgd door de psychologie en daarna de agrarische studenten. Om dit te toetsen is gekeken naar de verschillen tussen de groepen op de NEP-schaal. De betrouwbaarheid van de NEP-subschalen "Balans van de natuur" en "Mensen boven de natuur" was niet hoog, maar van acceptabel niveau (Cronbach's ?=.66 resp. .73). De subschaal "Grenzen aan de groei" liet na verwijdering van twee van de vier items een alpha zien van slechts Ó=.58. Hier moet bij de interpretatie van de resultaten rekening mee gehouden worden. Na correctie laat de gehele NEP schaal een acceptabele mate van betrouwbaarheid zien (Cronbach's ?=.80). Om de relatieve verschillen tussen de groepen te toetsen is een variantie-analyse (ANOVA) uitgevoerd met de verschillende schalen als afhankelijke variabele en de groepen als onafhankelijke variabelen. In tabel 10 staan de resultaten van deze analyses vermeld.
 ----------------------------
    Voeg hier Tabel 10 in
 ----------------------------
Uit de analyses over de gehele NEP schaal blijkt dat agrariërs een significant minder ecocentrische houding hebben (M=3.42) dan psychologen (M=3.83), F(1,38)=4.37;p<.05), en biologen (M=4.08), F(1,32)=10.88;p<.001. Agrariërs hebben verder minder het gevoel dat de balans van de natuur verstoord wordt (M=3.34) in vergelijking met zowel de psychologen (M=3.91), F(1,38)=6.42;p<.05, als de biologen (M=4.04), F(1,32)=8.15;p<.01 (subschaal 1). Ook vindt deze groep de grenzen aan de groei minder groot (M=3.10) in vergelijking met de biologen (M=4.04); F(1,32)=7.43;p<.01 (subschaal 2). De agrariërs hebben meer het gevoel dat mensen boven de natuur stonden (M=2.35) dan de biologen (M=1.86), F(1,32)=3.40;p<.05 (subschaal 3).

Geconcludeerd kan worden dat de drie groepen op de subschalen variëren in hun mate van ecocentrisme, waarbij de agrariërs het minst ecocentrisch zijn en de biologen het meest ecocentrisch zijn. De psychologen vallen hier tussenin. Voor de gehele NEP schaal kan de agrarische groep als minder ecocentrisch onderscheiden worden van de groep psychologen en biologen tezamen. Dit is in overeenstemming met hypothese 2a.
 

3.6 Groepsverschillen in natuurbeeld 1: natuur-mens relaties

Hypothese 2b stelt agrarische studenten een natuurbeeld hebben dat het dichtst bij de R0 relatie (gescheiden systemen) ligt en de biologie studenten een natuurbeeld dat het dichtst bij de R3 relatie (volledige ontsluiting).

Het eventuele verband tussen de vier natuur-mens relaties is onderzocht door middel van een Chi2-toets. Bij het gebruik van deze toets op nominale data zijn twee voorwaarden waaraan een celverdeling moet voldoen: in de eerste plaats moeten alle verwachte frequenties groter of gelijk zijn aan 1 en in de tweede plaats mag maximaal 20% van de verwachte frequenties tussen 1 en 5 liggen. Bij een toets met als onafhankelijke variabelen de drie groepen en als afhankelijke variabelen de vier afzonderlijke natuur-mens relaties wordt aan deze twee voorwaarden niet voldaan: de minimale verwachte frequentie was .52 en maarliefst 58% van de verwachte frequenties lag tussen 1 en 5. Om hier een oplossing voor te vinden is het nodig om het aantal klassen terug te brengen tot een twee bij twee design. Voor dit design is de minimale verwachte frequentie 2.90, terwijl 25% van de frequenties tussen 1 en 5 liggen. Bovendien kan voor dit design een alternatieve test uitgevoerd worden, de Fisher Exact test, waarvoor de genoemde beperkende voorwaarden niet opgaan. Op grond van de resultaten op de (gehele) NEP schaal kan gekozen worden om de psychologen en biologen samen te groeperen. Op de afhankelijke variabelen kan gekozen worden om een tweedeling in de relaties tussen mens en natuur te maken door te groeperen naar wel of geen overlapping. Op grond hiervan zijn R0 en R1 te onderscheiden van R2 en R3. In Tabel 11 is de frequentieverdeling van deze variabelen weergegeven.
 ----------------------------
    Voeg hier Tabel 11 in
 ----------------------------
Uit de tabel is af te leiden dat voor alle proefpersonen (N=54) 14.8% vindt dat een niet overlappende relatie de beste representatie was voor de relatie natuur-mens, terwijl 85.2% een wel overlappende relatie kiest. Uit een vergelijking tussen de groepen onderling blijkt echter dat ongeveer één derde (35%) van de agrariërs vindt dat mens en natuur niet overlappen, terwijl slechts een enkeling (2.9%) uit de andere groep het hiermee eens was. Omgekeerd vindt tweederde van de agrariërs (65%) dat een overlappende relatie een betere representatie is voor de relatie natuur-mens, in vergelijking met bijna alle psychologen en biologen.

Uit de toetsresultaten blijkt dat dit verschil in frequentieverdeling tussen overlappende en niet-overlappende natuur-mens relaties niet als toevallig kan worden gezien (Chi2(1)=10.25;p<.01 en Fisher Exact test p<.01). De sterkte van het verband tussen deze twee relaties kan achterhaald worden door middel van een associatiemaat, Cramer's V, die corrigeert voor de steekproefomvang en het aantal vrijheidsgraden. De waarde van deze maat loopt van 0 (onafhankelijkheid) tot 1 (perfect verband) en liet een sterkte zien van .44 (Pearson Chi2:p<.01). Geconcludeerd kan worden dat een substantiële minderheid binnen de groep agrariërs in vergelijking met de gehele groep vindt dat de natuur-mens relatie niet-overlappend van aard is. Dit is in overeenstemming met hypothese 2c, waarin gesteld wordt dat agrariërs het dichtste bij de R0 relatie staan en dat biologen het dichtste bij de R3 relatie staan.
 

3.7 Groepsverschillen  in natuurbeeld 2: prototypiciteit

Hypothese 2c stelt dat agrariërs het hoogste prototypische rapportcijfer toekennen aan de menselijk beïnvloede voorbeelden van natuur (volgende natuur), gevolgd door de psychologen en daarna de biologen. Biologen kennen het hoogste prototypische rapportcijfer toe aan de niet door mensen beïnvloede voorbeelden van natuur (wilde natuur), gevolgd door psychologen en daarna agrariërs.

Om te onderzoeken hoe de mate van prototypiciteit voor de verschillende voorbeelden van natuur op onderliggende natuurbeeld-dimensies kan worden ingedeeld is een exploratieve hoofdcomponenten analyse (PCA) uitgevoerd. Na Varimax rotatie worden negen factoren gevonden die tezamen 74% van de totale variantie verklaren. Vanwege de hoogte van de correlaties is voor de interpretatie van de factoren gekozen om alleen items die hoger dan .50 laden te bekijken. Van de negen factoren hebben alleen de eerste vijf tenminste twee ladingen hoger dan .50. De overige factoren waren niet eenduidig te interpreteren en zijn in de analyse weggelaten. De vijf factoren die overbleven verklaren tezamen 57% van de variantie en worden als volgt geïnterpreteerd: "Menselijk gebruik" (factor 1), "Gezondheid/natuurlijkheid" (factor 2), "Ruigheid" (factor 3), "Zee" (factor 4) en "Weidevogels" (factor 5). In Tabel 12 staan de vijf factoren vermeld met de items die hoog laadde (zie Tabel 4 in methodesectie voor inhoud
 ----------------------------
    Voeg hier Tabel 12 in
 ----------------------------
 voorbeelden). Door optelling en middeling van de items behorende tot een factor is het mogelijk om per groep een gemiddelde score per natuurbeeld te geven. Deze score geeft weer in hoeverre de factor omschrijft wat een bepaalde groep onder het concept "natuur" verstaat. In Tabel 13 staan de gemiddelde score per factor over alle groepen vermeld.
 ----------------------------
    Voeg hier Tabel 13 in
 ----------------------------
In Tabel 14 staan de rangorde scores over de natuurbeelden opgesomd per groep.
De gemiddelde (inverse) rangordevoorkeur wordt verkregen door optelling van de rang-score dat elk beeld krijgt. Het beeld met de laagste eindtotaal heeft de hoogste
prototypische waarde. De volgorde van voorkeur over de factoren voor alle groepen is dus: Zee, RuigheidGezondheid/Natuurlijkheid, Weidevogels, Menselijk gebruik. Over het algemeen kan gesteld worden dat de groepen een hoge prototypische waarde (rapportcijfer>7) aan alle beelden toekennen, met uitzondering van Menselijk gebruik dat als niet erg prototypisch wordt gezien.
 ----------------------------
    Voeg hier Tabel 14 in
 ----------------------------
Per natuurbeeld zijn echter wel verschillen te zien. Agrariërs vinden de voorbeelden die vallen onder de factor Menselijk gebruik gemiddeld toch meer "natuur" (M=5.54) dan psychologen (M=4.53), F(1,37)=4.25;p<.05, en biologen (M=3.09), F(1,31)=18.89;p<.001. Psychologen vinden deze factor ook significant meer "natuur" in vergelijking met biologen, F(1,32)=11.87;p<.01. Agrariërs vinden Gezondheid/Natuurlijkheid meer prototypisch (M=8.29) dan psychologen (M=7.51), F(1,37)=6.01;p<.05., maar verschillen verder niet significant van biologen. Biologen vinden onder Ruigheid typisch meer hun voorbeelden van "natuur" terug (M=9.43) in vergelijking met zowel psychologen (M=8.72), F(1,32)=6.48;p<.05, als agrariërs (M=8.04), F(1,31)=5.62;p<.05. Ten slotte hebben agrariërs een marginaal groter "natuur-gevoel" bij Weidevogels (M=8.00) in vergelijking met psychologen (M=7.03), F(1,37)=3.884;p=.056. Biologen delen dit gevoel met de agrariërs, maar verschillen niet significant met de psychologen.

Geconcludeerd kan worden dat alle groepen de gebruiksnatuur als de minst specifieke voorbeeld zien van "natuur". Ten opzichte van elkaar laat elke groep wel een enigszins specifiek beeld zien. In vergelijking met de andere twee groepen ligt voor agrariërs de nadruk meer op Gezondheid/natuurlijkheid en Weidevogel-achtige gebruiksnatuur en minder op Ruigheid. Voor psychologen en biologen ligt de nadruk meer op de ruige natuur. Dit is in overeenstemming met hypothese 2c, aangezien Gezondheid, Natuurlijkheid en Weidevogels dichter bij de rol van de mens staan in de natuur, terwijl Ruigheid de natuur zelf meer centraal stelt.
 

3.8 Groepsverschillen op de vijf persoonlijkheidsfactoren

Hoewel het discutabel is in hoeverre een persoonlijkheidsvragenlijst valide is wanneer geaggregeerde naar groepsniveau, is toch een aparte analyse gedaan om de verschillen tussen de groepen op de vijf persoonlijkheidsdimensies te bekijken. Tabel 3.10 geeft een overzicht van deze scores (zie Tabel 15 voor de interpretatie van
 ----------------------------
    Voeg hier Tabel 15 in
 ----------------------------
de factoren). Op de eerste dimensie, Extraversie, wordt geen verschil gevonden. Met betrekking tot Vriendelijkheid blijkt dat biologen marginaal meer rekening denken te houden met andermans gevoelens (M=22.22) dan agrariërs (M=16.04), F(1,32)=3.85;p<.10. Uit de dimensie Zorgvuldigheid blijkt dat agrariërs liever werken volgens schema (M=2.12) in vergelijking met psychologen (M=-6.14), F(1,38)=3.40;p<.05 en biologen (M=-10.36), F(1,32)=3.99;p<.05 die aangeven dingen liever zonder planning te doen. Alleen psychologen geven aan minder goed in staat te zijn problemen van zich af te zetten (M=6.47) in vergelijking met biologen (M=13.60), F(1,32)=3.99;p<.05 en trendmatig met agrariërs F(1,38)=3.33;p<.10. Psychologen zeggen echter wel weer meer de leiding te nemen (M=13.20) in vergelijking met de agrariërs (M=8.56), F(1,38)=3.41;p<.10.

Geconcludeerd kan worden dat de drie groepen significante verschilden op de dimensies Zorgvuldigheid en emotionele stabiliteit, terwijl voor de overige drie dimensies geen verschillen werden gevonden.

3.9 Correlaties tussen de groepskenmerken
 Hypothese drie stelt dat er een significante samenhang te vinden is tussen het schoonheidsoordeel op ruige en/of verzorgde natuur en de natuurhouding, het natuurbeeld en de verschillende persoonlijkheidskenmerken. Om dit te toetsen is de correlatie (Pearson's Produkt-moment correlatie-coëfficient) tussen alle groepskenmerken bekeken. In Tabel 16 staan de correlaties weergegeven.
 ----------------------------
    Voeg hier Tabel 16 in
 ----------------------------
Een positieve correlatie wordt gevonden tussen de waardering voor ruige natuur en de NEP-schaal (r=.33;p<.05), waarbij de subschaal Balans van de natuur positief samenhangt (r=.34;p<.05) en de subschaal Mensen boven de natuur een negatieve correlatie laat zien (r=-.27;p<.05). Met betrekking tot het natuurbeeld hangt Menselijk gebruik negatief samen met de waardering voor ruige natuur (r=-.31;p<.05), terwijl de beelden Ruigheid en Zee positief samenhangen (resp. r=.63;p<.01 en r=.34;p<.05). De persoonlijkheidsdimensie Emotionele stabiliteit heeft een negatief verband met de waardering voor ruige natuur (r=-.33;p<.05). Minder kenmerken correleren significant met de waarderinmg voor verzorgde natuur. Het natuurbeeld Weidevogels laat een positief verband zien (r=.47;p<.01), terwijl de persoonlijkheidsdimensie Vriendelijkheid een negatief verband laat zien (r=-.29;p<.05). De NEP-schaal correleert verder sterk negatief met het natuurbeeld Menselijk gebruik (r=-.60;p<.01) en positief met het natuurbeeld Ruigheid (r=.47;p<.01). Dit verband betekent dat natuurhouding en natuurbeeld niet als onafhankelijke factoren gezien kunnen worden.

Deze resultaten zijn deels in overeenstemming met hypothese 3a en 3b en niet in overeenstemming met hypothese 3c. De natuurhouding (NEP) hangt positief samen met een waardering voor ruige natuur, maar de negatieve samenhang met de waardering van verzorgde natuur is niet significant. Hypothese 3a, waarin gesteld wordt dat naarmate iemand een ecocentrischere natuurhouding heeft hij/zij een hogere waardering heeft voor ruige natuur, terwijl naarmate iemand een minder ecocentrische natuurhouding heeft hij/zij een hogere waardering heeft voor verzorgde natuur heeft, kan dus alleen met betrekking tot ruige natuur bevestigd worden. Op eenzelfde (asymetrische) manier zijn de samenhangen tussen de natuurbeelden en waardering voor ruige of verzorgde natuur alleen significant op één van deze twee dimensies (en dus niet daarnaast significant tegensgesteld correlerend op de andere dimensie). Menselijk gebruik hangt negatief samen met waardering voor ruige natuur, maar de positieve samenhang met verzorgde natuur is niet significant. Ruigheid en Zee hangen alleen significant samen met ruige natuur, terwijl Weidevogels alleen samenhangt met verzorgde natuur. Hypothese 3b, waarin gesteld wordt dat naarmate een hogere prototypiciteit toegekend wordt aan niet door mensen beïnvloede natuurbeelden het schoonheidsoordeel op ruige natuur positiever is en dat naarmate een hogere prototypiciteit toegekend wordt aan door mensen beïnvloede natuurbeelden het schoonheidsoordeel voor verzorgde natuur positiever is hiermee deels dus wel in overeenstemming, maar met de aantekening dat de samenhang slechts voor één dimensie geldt. Voor het natuurbeeld zijn geen significante relaties tussen de natuur-mens relaties en de waardering voor ruige of verzorgde natuur. Hypothese 3c stelt dat naarmate iemand extraverter en/of emotioneel stabieler is het schoonheidsoordeel voor ruige natuur positiever is en dat naarmate iemand introverter en/of emotioneel instabieler is het schoonheidsoordeel voor verzorgde natuur positiever is. Tegen de verwachting in hangt extraversie niet significant samen met de waardering voor ruige of verzorgde natuur, terwijl Emotionele stabiliteit juist negatief samenhangt met ruige natuur in plaats van positief. Hypothese 3c is dus niet in overeenstemming met deze resultaten.
 

3.10 Toetsing van de groepskenmerken als mediërende variabelen

Hypothese vier stelt dat de natuurhouding, het natuurbeeld en de verschillende persoonlijkheidskenmerken als mediërende variabelen optreden in de groepsverschillen in het schoonheidsoordeel. Voor het toetsen van een mediator-effect moet aan drie voorwaarden voldaan worden (Baron & Kenny, 1986): (1) een significant effect van de onafhankelijke variabele op de afhankelijke variabele, (2) een significant effect van de onafhankelijke variabelen op de mediator, en (3) een significant effect van de mediator op de afhankelijke variabelen. Aan de eerste van deze drie voorwaarde wordt voldaan, doordat er een significant multivariaat groepsverschil gevonden wordt voor de schoonheidsoordelen op ruige en verzorgde natuur (F(2,51)=....;p<.05, zie paragr. 3.3 en Tabel 7). Acht van de vijftien kenmerken voldoen aan de tweede voorwaarde: de NEP-schaal (F(2,51)=5.41;p<.01), met de subschalen Balans van de natuur (F(2,51)=5.22;p<.01) en Grenzen aan de groei (F(2,51)=3.63;p<.05), de vier natuur-mens relaties (zie paragr. 3.5.2), Menselijk gebruik (F(2,51)=11.46;p<.001), Ruigheid (F(2,51)=3.81;p<.05), Conscientsiousness (F(2,51)=3.48;p<.05) en Emotionele stabiliteit (F(2,51)=2.82;p<.10).
Alleen die kenmerken die aan de derde voorwaarde voldoen kunnen als significante covariaten opgenomen konden worden in een covariantieanalyse (ANCOVA). Voor het schoonheidsoordeel op verzorgde natuur blijkt dat geen enkele covariaat significant is. Met betrekking tot ruige natuur geldt dit voor de natuur-mens relatie en de NEP-subschaal Grenzen aan de groei. De overige groepskenmerken zijn als covariaten opgenomen in het schoonheidsoordeel op ruige natuur als functie van de groep. De toetsgegevens staan vermeld in Tabellen 17a t/m 17d.
 -------------------------------------------
    Voeg hier Tabellen 17a t/m 17d in
 -------------------------------------------
Uit Tabel 17a kan opgemaakt worden dat het schoonheidsoordeel gecontroleerd voor natuurhouding, zoals gemeten door de gehele NEP schaal, significant blijft verschillen over de groepen (F(1,50)=4.34;p<.05). Hetzelfde geldt voor de subschaal Balans van de natuur (Tabel 17b) (F(2,50)=4.64;p<.05). Natuurhouding, zoals gemeten door de NEP-schaal, heeft dus geen mediator-effect op schoonheid. Het schoonheidsoordeel als functie van de groep blijkt echter niet meer significant wanneer het natuurbeeld als covariaat opgenomen wordt (F(2,50)=1.21;n.s.) (Tabel 17c). Aangezien de factor Menselijk gebruik hierbij als covariaat slechts marginaal significant is (F(2,50)=3.71;p<.10) kan dit effect kan met name toegeschreven worden aan de sterke covariatie van het schoonheidsoordeel met de factor Ruigheid (F(2,50)=30.01;p<.001). De persoonlijkheidsdimensies (Tabel 17d) hebben tenslotte geen ivloed op het groepsverschil in schoonheidsoordeel (F(2,50)=11.94;p<.001).
Deze resultaten zijn slechts gedeeltelijk in overeenstemming met met hypothese 4. Voor verzorgde natuur kan geen van de groepskenmerken als mediator opgenomen worden. Voor ruige natuur blijkt alleen het natuurbeeld, en dan met name het kenmerk ruigheid, als mediator een rol te spelen in de groepsverschillen in het schoonheidsoordeel.


  4. DISCUSSIE

    Doelstelling van dit onderzoek was een bijdrage te leveren aan de kennis omtrent individuele- en groepsverschillen in schoonheidsoordelen over land-schap-pen. Onderzocht werd in hoeverre het schoonheidsoordeel varieerde over twee verschillende dimensies, te weten ruigheid en verzorgdheid en in welke mate groepsverschillen op deze dimensies verklaard konden worden door de grondhouding ten aanzien van de natuur en persoonlijkheidskenmerken. Om dit te onderzoeken werden drie groepen geselecteerd die verschilden in opleiding: agrarische studenten, psychologie studenten en biologie studenten. Op grond van eerdere resultaten van Van den Berg et al. (1996) werd verwacht werd dat agrariërs een lager schoonheidsoordeel zouden hebben voor ruige natuur dan psycholo-gen en biologen. Verder zouden pyschologen een lager schoonheidsoordeel voor ruige natuur hebben dan biologen (Hypothese 1a). Omgekeerd werd verwacht dat agrariërs een hoger schoonheidsoordeel hadden voor verzorgde natuur dan psychologen en biologen, en dat psychologen een hoger schoonheidsoordeel hadden voor verzorgde natuur dan biologen (Hypothese 1b). Hoofdcomponenten-analyse extraheerde uit de schoonheidsoordelen over de twee landscahappen twee factoren die konden worden geïnterpreteerd als ruige en verzorgde natuur waarop de drie groepen bijna geheel naar de verwachtingen van hypothesen 1a en 1b in hun schoonheidsoordeel verschilden: alleen met betrekking tot verzorgde natuur verschilden pyschologen en biologen onderling niet in hun schoonheidsoordeel. Uit de groepsverschillen bleek verder dat het oordeel dat de groepen gaven over de meeste andere landschapskenmerken gelijkenis vertoonde met hun relatieve voorkeur voor ruige of  verzorgde natuur.

    De mate waarin de drie groepen verschilden in de grondhouding ten aanzien van de natuur (natuurhouding en natuurbeeld) werd op drie verschillende manieren gemeten. Ten eerste werd met betrekking tot de natuurhouding verwacht dat agrariërs de meest antropocentrische natuurhouding hadden, de biologen de meest ecocentrische en dat de psychologen in het midden lagen (Hypothese 2a). Gevonden werd dat voor de gehele NEP-schaal de agrarische groep als minder ecocentrisch onderscheiden kon worden van de groep psychologen en biologen tezamen. Ten tweede werd het natuurbeeld exploratief op twee manieren geoperationaliseerd. In de eerste plaats werden vier natuur-mens relaties onderscheiden (Stavenga, 1991) waartussen de proefpersonen moesten kiezen. Verwacht werd dat agrariërs een relatie zouden kiezen die het dichtst bij de R0 relatie (gescheiden systemen) lag, dat de biologen een relatie zouden kiezen die het dichtst bij de R3 relatie (volledige ontsluiting) lag en dat de psychologen daartussenin zaten (Hypothese 2b). Net als bij de NEP-schaal werd ook hier gevonden dat agrariërs als groep verschilden van de psychologen en biologen tezamen.

    Een tweede manier waarop het natuurbeeld gemeten werd was door middel van prototypiciteit (Rosch & Mervis, 1975). De proefpersonen moesten aan voorbeelden van natuur een rapportcijfer geven naar de mate waarin zij het voorbeeld "typisch" natuur vonden. Verwacht werd dat agrariërs een hoger prototypisch rapportcijfer toe zouden kennen aan de meer door mensen beïnvloede voorbeelden van natuur (volgende natuur), terwijl biologen een hogere prototypiciteit zouden toekennen aan de niet door mensen beïnvloede voorbeelden van natuur (wilde natuur). Psychologen zouden hier weer tussenin zitten (Hypothese 2c). Uit de resultaten bleek dat alle groepen Menselijk Gebruik de laagste prototypische waarde gaven. Verder bleek dat agrariërs de nadruk meer op Gezondheid/Natuurlijkheid en Weidevogel-achtige gebruiksna-tuur legden, terwijl psychologen en biologen de nadruk meer op Ruigheid, of wilde natuur legden. Bij elkaar betekenen al deze resultaten dat met betreking tot de grondhouding ten aanzien van de natuur de agrariërs als verschillend van psychologen en biologen konden worden gezien, maar dat er tussen biologen en psychologen onderling weinig verschil te zien was. Mogelijke verklaring hiervoor kan zijn dat de hoogte van de opleiding of de woonomgeving (alleen de agrariërs woonden buiten de stad) meer bepalend zijn in de grondhouding ten aanzien van de natuur dan de inhoud van de opleiding (resp. kennis over natuur/milieu bij biologen versus kennis over menselijk gedrag bij psychologen).

    In het onderzoek werd verder verwacht dat er een significante samenhang te vinden zou zijn tussen het schoonheidsoordeel op ruige danwel verzorgde natuur en de natuurhouding, het natuurbeeld en verschillende peroonlijkheidskenmerken (Hypothese 3) en dat deze groepskenmerken als mediërende variabelen het effect van de verschillende groepen op het schoonheidsoordeel zouden kunnen verklaren (Hypothese 4). Uit de resultaten bleek dat de NEP-schaal positief correleerde met ruige natuur, ondanks de geringe (positieve) samenhang die de subschaal "Grenzen aan de groei" had met ruige natuur. Aangezien de NEP-schaal de mate van ecocentrisme meet, kan hieruit afgeleid worden dat deze natuurhouding significant samenhangt met een hoge waardering voor ruige natuur. De subschaal Mensen boven de natuur hing daarentegen significant negatief samen met de waardering voor ruige natuur. Wat uit de resultaten van de NEP-schaal echter niet geconcludeerd kon worden was dat ecocentrisme negatief samenhing met het schoonheidsoordeel op verzorgde natuur. De NEP-schaal correleerde van richting weliswaar negatief met verzorgde natuur (en de subschaal Mensen boven de natuur positief), maar deze samenhang was heel zwak en niet significant. Geconcludeerd zou dus kunnen worden dat het schoonheidsoordeel voor verzorgde natuur niets te maken heeft met een ecocentrische natuurhouding. Interessant is dat Strumse (1996) in dit verband juist een positieve correlatie vondt tussen traditionele Noorse verzorgde natuur en de NEP en een negatieve relatie tussen moderne verzorgde natuur en de NEP. Dit verschil in resultaat zou misschien veroorzaakt kunnen doordat Strumse een gewijzigde versie van de NEP (Dunlap et al., 1992) gebruikt heeft of door een verschil in stimulus set. De lage correlaties tussen NEP en verzorgde natuur zouden verklaard kunnen worden doordat geen van de drie groepen heel laag op de NEP-schaal scoort (minimum is 3.46), waaruit blijkt dat geen van de groepen een

Transfer interrupted!

ing heeft. Eventueel zou dit te maken kunnen hebben met een sociaal-wenselijke responsbias, aangezien agrariërs tegenwoordig vaak als milieuonvriendelijke boemannen bestempeld worden. Bovendien is het nog maar de vraag in hoeverre vanuit een negatieve correlatie tussen de NEP-schaal en verzorgde natuur de conclusie getrokken kan worden dat antropocentrisme samenhangt met verzorgde natuur. Hiervoor moet misschien een meetinstrument ontworpen worden dat niet-ecocentrisme meet. Ondanks de positieve samenhang met ruige natuur bleek de NEP-schaal als mediator geen effect te hebben op de groepsverschillen in het schoonheidsoordeel. Geconcludeerd kan dus worden dat de NEP-schaal geen voorspeller is van het schoonheidsoordeel op ruige natuur. Mogelijk is de NEP (1978) als meetschaal voor ecocentrisme niet meer geheel bij de tijd. Een meer voor de hand liggende verklaring is dat het principe van compabiliteit (Fishbein & Ajzen, 1975) geschonden wordt: het perceptuele en cognitief vrij automatische niveau waarop schoonheidsoordelen gegeven worden, komt niet genoeg overeen met het meer algemenere hoger cognitieve niveau waarop de attitudes ten aanzien van de natuur gemeten worden. De natuurhouding, zoals gemeten door de NEP-schaal, zou dus te algemeen van niveau kunnen zijn in verhouding tot de meer onbewuste perceptuele schoonheidsoordelen en vervangen moeten worden door meer affectieve metingen.

    De prototypiciteitsoordelen over de verschillende natuurvoorbeelden lieten wel hoge correlaties zien met de schoonheidsoordelen. Wellicht is een oorzaak hiervoor dat prototypiciteitsoordelen op een lager cognitief niveau liggen dan de NEP-schaal en daardoor meer compatibel zijn met schoonheidsoordelen. Uit de in hoofdcomponenten gevonden natuurbeeld-dimensies bleek dat de mate waarin mensen ruige natuur en zee als "natuur" zien samenhing met het schoonheidsoordeel voor ruige natuur, terwijl de mate waarin menselijk beïnvloedde natuur als typisch "natuur" werd gezien negatief samenhing met hun schoonheidsoordeel op ruige natuur. Ruigheid en in mindere mate Menselijk gebruik bleken ook als mediatoren het schoonheidsoordeel op ruige natuur goed te kunnen verklaren, aangezien het groepsverschil niet significant meer was (p<.10) wanneer deze kenmerken opgenomen werden als covariaten. Met betrekking tot verzorgde natuur correleerde alleen de mate waarin Weidevogels prototypisch voor natuur waren positief, maar dit beeld had geen voorspellende waarde voor verzorgde natuur. Opvallend was verder dat de correlaties tussen de natuurbeelden en de schoonheidsoordelen op ruige of verzorgde natuur alleen significant waren op één van de twee dimensies ruige óf verzorgde natuur. Hiervoor kan dezelfde verklaring  gegeven worden als bij de natuurhouding, namelijk dat ondanks de groepsverschillen geen van de groepen een natuurbeeld had waarbij de mens echt als los van de natuur gezien wordt (gelijk aan een R0 relatie).

    Met betrekking tot de systeemtheoretische operationalisatie van het natuurbeeld werd ondanks de gevonden groepsverschillen in de natuur-mens relaties, geen significante samenhang gevonden met het schoonheidsoordeel op ruige natuur en verzorgde natuur. Verklaring voor deze zwakke resultaten kan liggen aan het ontbreken van een schaal waarmee de relaties gemeten kunnen worden. Door de figuurlijke weergave van de vier relaties was alleen een keuze tussen vier extreem van elkaar verschillende relaties mogelijk. Dat desondanks toch groepsverschillen gevonden werden duidt erop dat in een meer geschaalde vorm deze vraag wel interessant zou kunnen zijn voor het meten van het natuurbeeld.

    Met betrekking tot de persoonlijkheidsfactoren werd verwacht naarmate mensen extraverter en emotioneel stabieler waren zij een hoger schoonheidsoordeel op ruige natuur zouden geven (hypothese 3c). Extraversie vertoonde echter geen samenhang, terwijl emotionele stabiliteit negatief correleerde met het schoonheidsoordeel op ruige natuur, wat geheel niet in overeenstemming is met eerdere resultaten (Abbello & Bernaldez, 1985). Mogelijk ligt dit verschil in de door Abello & Bernaldez alleen in spaanstalige gebieden gebruikte  persoonlijkheidsmeting. Hendriks et al. (1995) omschrijven een hoge score op emotionele stabiliteit als "het vermogen problemen van zich af te zetten". Proefpersonen die aangeven dit minder goed te kunnen, hadden blijkbaar een hoger schoonheidsoordeel op ruige natuur. Een verklaring hiervoor kan liggen in de heilzame functie die ruige, niet door mensen beïnvloede natuur voor hen kan hebben (zie bv. Kaplan & Kaplan, 1989). Proefpersonen die aangaven problemen wel van zich af te kunnen zetten hadden omgekeerd geen hoger schoonheidsoordeel op verzorgde natuur. Met het schoonheidsoordeel op verzorgde natuur correleerde de persoonlijkheidsfactor Vriendelijkheid negatief. Dit houdt in dat naarmate proefpersonen aangaven meer rekening te houden met andermans gevoelens, zij een lager schoonheidsoordeel op verzorgde natuur hadden. Geen van de persoonlijkheidsfactoren had overigens een mediator effect op het schoonheidsoordeel over de groepen.

    Met betrekking tot de systeemtheoretische operationalisatie van het natuurbeeld werd ondanks de gevonden groepsverschillen in de natuur-mens relaties, geen significante samenhang gevonden met het schoonheidsoordeel op ruige natuur en verzorgde natuur. Verklaring voor deze zwakke resultaten kan liggen aan het ontbreken van een schaal waarmee de relaties gemeten kunnen worden. Door de figuurlijke weergave van de vier relaties was alleen een keuze tussen vier extreem van elkaar verschillende relaties mogelijk. Dat desondanks toch groepsverschillen gevonden werden duidt erop dat in een meer geschaalde vorm deze vraag wel interessant zou kunnen zijn voor het meten van het natuurbeeld.

    Geconcludeerd kan worden dat verzorgdheid en ruigheid twee belangrijke dimensies zijn waar het schoonheidsoordeel van individuen op kan verschillen. Uit de resultaten blijkt dat dit niet twee polen van een continuum “Menselijke beinvloeding” zijn: de oordelen op de landschapskenmerken gevonden voor ruige natuur zijn niet omgekeerd synoniem voor verzorgde natuur. Uit dit onderzoek blijkt verder dat het natuurbeeld als verklarende factor voor groepsverschillen in schoonheidsoordeel op ruige natuur gezien kan worden. Doordat agrische studenten voorbeelden “ruige natuur” als minder en voorbeelden van “menselijk beinvloede” natuur als meer typische natuur zien, verschillen zij in schoonheidsoordeel van psychologie en biologie studenten. Hetzelfde geldt voor psychologie studenten in vergelijking met biologie studenten. Met name de mate waarin ruige voorbeelden van natuur als typisch "natuur" worden gezien hangt hiermee samen.

    Belangrijke tekortkoming in het onderzoek is het kleine aantal biologie studenten. De uitkomsten kunnen hierdoor toch niet geheel representief zijn voor een biologische of ecologische visie op natuur en een geflatteerd beeld geven. Ten tweede hadden alle groepen in dit onderzoek een vrij ecocentrische natuurhouding. Hierdoor is een eventuele relatie tussen antropocentrisme en verzorgde natuur niet onderzocht.  Met  betrekking tot de grondhouding ten aanzien van de natuur hebben verschillende onderzoeken aangetoond dat natuurhouding omgekeerd gerelateerd is aan leeftijd (zie bijv. Arcury & Christianson, 1990). Een oudere leeftijdsgroep zou hierom misschien meer verschillen en meer samenhang tussen grondhouding ten aanzien van de natuur en verzorgde natuur laten zien. Een derde tekortkoming van dit onderzoek is dat alleen aandacht gegeven is aan beoordelaarskenmerken, zonder dat hierbij rekening gehouden is met landschapskenmerken. Recentelijk zijn een aantal statistische methoden ontwikkelt die nieuwe mogelijkheden bieden op dit gebied, te weten "multiniveau-technieken", of "random-effect modellen" (Bryk & Raudenbusch, 1992; Hox, 1994). Met deze technieken kunnen de effecten van landschapskenmerken op landschapsvooorkeuren in verschillende groepen op een betrouwbare wijze worden vastgesteld en getoetst.

    Onderzoek naar de invloed van het natuurbeeld op de belevingswaarde van het landschap verdient meer aandacht. De in dit onderzoek gebruikte methode, waarin het natuurbeeld door middel van de prototypiciteit van verschillende natuurvoorbeelden geoperationaliseerd wordt, kan als interessante ingang voor nader onderzoek verder uitgewerkt worden. Gezien de significante samenhang met het schoonheidsoordeel op ruige natuur en de theoretische samenhang met het natuurbeeld, is ook het vinden van alternatieve, eventueel meer perceptueel en affectief georienteerde, methodes voor het meten van de natuurhouding belangrijk.

    De door de Natuurbeschermingsraad verwachtte centraliteit van het natuurbeeld in discussies rondom het natuurbeleid wordt in dit onderzoek bevestigd. Weerstand tegen natuurontwikkenlingsplannen, zoals gevonden wordt onder streekbewoners van bijvoorbeeld Gaasterland in Friesland (zie De Volkskrant 4-9-'95, waar de Initiatiefgroep Verontruste Gaasterlanders een stuk landbouwgebied ingelijst heeft), kan als gevolg gezien kan worden van een fundamenteel ander idee over wat natuur is. Ook de stelling van Gremmen & Keulartz (1996) dat de ecologische beleidsvisie zelf van een bepaald natuurbeeld uitgaat, krijgt in dit onderzoek steun, doordat studenten biologie op grond van een verschil in natuurbeeld een aanzienlijk hoger schoonheidsoordeel geven aan ruige natuur ten opzichte van psychologie en agrarische studenten. Om te komen tot een breed draagvlak en een integrale aanpak van het natuurbeleid zal in het door biologen en ecologen gedomineerde debat rondom het natuurbeleid (debat Natuurontwikkeling, "Waarom en hoe", 1996) meer rekening gehouden moeten worden met dit verschil in natuurbeeld.



 

  5. LITERATUUR
 

(misses references, tables and pictures)